Biesenhof bouwvleugels.

De bouwvleugels.
De Biesenhof is grotendeels een zeventiende- en achttiende-eeuwse boerderij en is gebouwd op of bij een of meer oudere voorgangers. Van de commanderij en de oorspronkelijke hoeve is als zodanig niets meer identificeerbaar.

Biesenhof bouwvleugels.

Het woonhuis
De bouwmassa van het huidige woonhuis kan gesplitst worden in twee delen: de oudste thans nog zichtbare bouwfase aan de noordzijde en een uitbreidingsfase aan de zuidzijde. De oudste fase stamt uit de zeventiende eeuw en is vermoedelijk gebouwd na een brand in 1624. De exacte datering die in de datumstenen in de noordelijke topgevel was aangegeven, is echter niet meer leesbaar. Dit kleine woonhuis bevatte nauwelijks ramen en was zoals gewoonlijk gericht naar de binnenplaats. Aan de zuidzijde werd tegelijkertijd een smalle bouwmassa gerealiseerd die wellicht in gebruik was als stal of schuur. Deze bouwmassa liep van oorsprong vermoedelijk over in een dwars gelegen vleugel (de huidige varkensstallen) en moest rond 1700 wijken voor een uitbreiding van het woonhuis: het huidige deel aan de zuidzijde. Tussen 1810 en 1817 kwam Jan Balthasar Schoenmakers met zijn vrouw enige tijd op de Biesenhof wonen. Waarschijnlijk werd toen de woning door bouwkundige aanpassingen geschikt gemaakt voor dubbele bewoning, waarbij de eigenaar het zuidelijke deel betrok en de pachter het noordelijk deel. Rond 1860 komt de zoon Martin Joseph Schoenmakers op de hoeve wonen en neemt tevens de bedrijfsvoering, samen met een rentmeester, op zich. De aanwezigheid van een ‘chique kamer’ in de eigenaarswoning, doet vermoeden dat Martin Joseph in de periode 1860 - 1890 het interieur grondig heeft gewijzigd. 

 Echter de datering van het uitbundige stucwerk en het stervormig gelegd parket — dat een toonbeeld is van eclecticisme — duiden erop dat deze decoratie rond 1880- 1890 is aangebracht. Dit zou erop kunnen wijzen dat Martin Joseph wel het interieur heeft aangepast door een ruime voorkamer te creëren met rondboogvensters, maar dat pas later, rond 1880-1890, de ‘chique kamer’ in zijn huidige vorm is aangelegd. Dit kan zijn na de komst van zoon Martin Jacob Joseph Schoenmakers in de jaren 70 van de negentiende eeuw, ofwel na verkoop aan notaris Russel in 1889, die het aankocht nadat zich op de hoeve een ernstige vorm van veeziekte had voorgedaan. Na 1907, na de komst van de familie Peters zijn er een aantal veranderingen in de woning doorgevoerd ten behoeve van de behuizing van knechten.  Toen de familie Peters rond 1925 van pachter eigenaar werd, werden de twee woningen geoptimaliseerd. De verdieping waar onder andere de vruchtenzolder was, werd geschikt gemaakt voor bewoning, met name ten behoeve van slaapgelegenheid.  Het woonhuis is deels onderkelderd. Een grotere kelder is te bereiken via een toegang op de binnenplaats. Deze kelder loopt om een inpandig blok heen dat samen met de op de begane grond bestaand dik stuk muur hoort bij een voorganger en door zijn formaat torenachtig aandoet. Via een gang wordt een verbinding gemaakt met twee zeventiende-eeuwse kelders onder de pachterswoning.

Resumé, splitsing in woonhuis.

Het woonhuis is in twee delen te splitsen: de pachterswoning als het oudste bestaande gedeelte en de eigenaarswoning. Deze twee delen zijn door het verschil in vormgeving en de aanwezigheid van bouwsporen duidelijk herkenbaar gebleven. Dit versteend archief toont de bouwgeschiedenis van de afgelopen eeuwen en geeft een duidelijke meerwaarde aan de uiterlijke identiteit van het pand.

Chique kamer.

De chique kamer in het eigenaarsverblijf is uiterst fraai vormgegeven. De hardstenen rondboogvensters, de dubbele deuren, de stervormige parketvloer en het stucwerk zijn van uitzonderlijk hoge kwaliteit. Een dergelijk gedetailleerde en rijke vormgeving binnen een agrarisch bedrijf is buitengewoon. Deze kamer heeft esthetisch en bouwhistorisch een zeer hoge waarde.

Het bakhuis.

Naast het woonhuis werd aan de noordzijde een bakhuis aangebouwd. Deze aanleg vond plaats nadat het oude pad tussen Geleen en Sweikhuizen dat over de binnenplaats liep in 1864 werd vervangen door een grotere weg aan de noordzijde van de hoeve. Deze negentiende-eeuwse bakoven bestaat uit een stookhuis en een dubbele bakoven, die uitzonderlijk groot is. Het oude bakhuisje zou mogelijk tegenover het zuidelijk deel van het woonhuis, de eigenaarswoning, gestaan kunnen hebben. Het huidige bakhuis maakte een gesloten verbinding met de schuur door middel van een overdekt poortje. 

Deze is een vervanging van een grotere poort, vergelijkbaar met de poort aan de westzijde waaronder vroeger het voetpad Sweikhuizen liep.

resumé
De grootte van de ovens in het bakhuis naast de woning is uitzonderlijk. De aanwezigheid van een broodoven én een vlaaienoven is bijzonder. Overigens staat dit laat- negentiende-eeuwse bakhuis op de plek van de voormalige oostelijke poort. De zeldzaamheidswaarde hiervan is hoog.

De schuur.

Vanwege het feit dat dit een pachthof was en meer dan een zelfvoorzienende boerderij is de schuur uitzonderlijk hoog en groot. In de omgeving kwam dit regelmatig voor zoals bijvoorbeeld ook zichtbaar is bij de nabij gelegen pachthoeve de Stammenderhof. De schuur was belangrijker dan het ondergeschikte woonhuis van het complex en werd zelfs een statussymbool. Hoe groter de schuur hoe gefortuneerder de eigenaar. In het woonhuis woonde dan ook vaak slechts de ‘minder belangrijke’ pachter. De huidige schuur is gebouwd in 1772 zoals de sluitsteen aan de oostzijde aangeeft. De schuur werd gebruikt voor oogstopslag en was door een poort in elk van de topgevels te bereiken. Doordat de poorten tegenover elkaar geplaatst zijn, was het voor grote karren en wagens mogelijk door de schuur te rijden. Dit soort zogenaamde ‘langsdeelschuren’ zijn in tegenstelling tot ‘dwarsdeelschuren’ inherent aan grote hoeves vanwege de grote hoeveelheden hooi en graanschoven. Bovendien zou een dwarsdeelschuur, waarbij de poorten in de lange gevels tegenover elkaar liggen, functioneel in conflict komen met de centraal gelegen mestvaalt.
De omvang van de schuur heeft ervoor gezorgd dat er een hele bijzondere constructie is ontstaan. Zeer zware buitenmuren dragen samen met zeven grote kolommen het overkoepelende dak.  De ruimte tussen de poorten wordt ook wel de din genoemd, de plek waar werd gedorst. 

Achter deze gemetselde rondboogpoorten bevinden zich vierkante poortvleugels bestaande uit een beplankt raamwerk met diagonale schoren, aan de bovenzijde draaiend om een houten spil. Deze spil maakt deel uit van een vertikale boom met aan de benedenzijde een speungeheng. Behalve de twee poorten zijn er openingen aangebracht aan de erfzijde door middel van twee deuren met daartussen verschillende luikopeningen (voor eenzijdig opendraaiende luiken) voorzien van hardstenen omlijstingen. Deze zijn aangebracht ten behoeve van ventilatie en lichttoetreding bij uit te voeren werk (laden, lossen en dorsen). De ruimtes aan de noordkant van de grote kolommen werden gebruikt als tasruimte waar de oogst werd opgeslagen. Bijzondere details in de schuur zijn de ovale ventilatiegaten in de topgevels aan de binnenzijde voorzien van luiken.

resumé
De schuur is bijzonder vanwege zijn omvang en de constructie die daaraan inherent is. De zware kolommen en muren zijn zeer vakkundig uitgevoerd met gebruikmaking van baksteen van een  hoge kwaliteit. Bovendien is de afwerkingzeer fraai: de houten afdekplaten van de kolommen waarop de moerbalken rusten en de hardstenen raam- en deuromlijstingen.

De stallen.

In dezelfde periode als de schuur, eind 18de eeuw, zijn de stallen opgetrokken, waarbij tenminste deels gebruik is gemaakt van bestaande gebouwen uitgevoerd in vakwerk. De paarden en de varkens werden tot na de Tweede Wereldoorlog in de zuidvleugel gestald en de koeienstal was in de westvleugel gevestigd. De kippen bevonden zich op de verdieping boven de koeienstal, waardoor rovers zoals vossen en marters er minder eenvoudig bij konden. De kippenstal was een bestaand bouwdeel dat geïntegreerd was in de koeienstal. De koeienstal werd in de late negentiende eeuw aanzienlijk verbreed naar de westzijde, waarbij de bestaande spanten eenzijdig zijn uitgebreid ten behoeve van het nieuwe slepende dak. Na deze uitbreiding raakte de remise — die zich in deze stalvleugel bevond en die vermoedelijk als doorrijpoort heeft gefungeerd — buiten gebruik.

De fraaie poort op de binnenplaats bleef bestaan en droeg bij aan de esthetische geleding van het exterieur. De openingen naar de binnenplaats bestaan uit fraaie hardstenen stijlen onder een gemetselde rondboogopening, ten behoeve van ventilatie. Om onheil te weren bevond zich bovendien boven enkele deuropeningen een geschilderd afweerkruis op de latei. Ook de stenen gevel van de varkens- en paardenstallen, die de voormalige vakwerkgevel vanaf 1772 verving, bevatte deze openingen. 

resumé
De schuur en de stallen stammen uit de bouwcampagne op het einde van de achttiende eeuw en zijn zeer eenduidig vormgegeven. Deze homogene uitstraling is esthetisch zeer waardevol en geeft de grootschaligheid van het complex meer kracht.

Bronvermelding:
www.biesenhof.nl