De Biesenhof

door Ton Wolters

De Biesenhof is een typische Limburgse carréhoeve met een rijke historie. Het monument ligt in een laagte, direct aan de Geleenbeek, aan de voet van de Sweikhuizerberg. Het moerassige weilandschap van weleer, droeg bij aan de minder goede bereikbaarheid van de hoeve en was daardoor goed beschermd in de zeventiende en achttiende eeuw. De Biesenhof heeft een hoge omgevingswaarde vanuit cultuurhistorisch en landschappelijk oogpunt.

Commanderij van de Duitse Orde

De ontstaansgeschiedenis van de Biesenhof gaat waarschijnlijk terug tot de voor de dertiende eeuw. De hoeve behoorde toen, met Abshoven en Munstergeleen, tot de bezittingen van de abdij St.-Vaast in Atrecht (= Arras, Frankrijk). De vroegste vermelding van de naam Biesenhof stamt uit 1259. In dat jaar wordt een stuk landbouwgrond van acht bunder met huis verkocht door vrouwe Aleidis, de weduwe van Willem van Beekhoven, voogd van Beek. Zij verkoopt de Biesenhof aan de Duitse Orde, die er een ridderhuis wil stichten. In deze tijd vonden regelmatig gewapende kruistochten plaats om het heilige land te bevrijden. Het doel van de Duitse Orde was deze pelgrims en kruisvaarders te beschermen en te verzorgen. Naast een geestelijke taak was de orde ook duidelijk gericht op militaire activiteiten, waardoor zij hoge adellijke c.q. wereldlijke macht wist te verwerven.

Er werden door de Orde verschilllende ridderhuizen of commanderijen gesticht, waaronder ook de commanderij "Kleine Biesen" ofwel de Biesenhof. In dit ridderhuis verbleef de commandeur om vanuit deze plaats zijn ridders aan te sturen. De "Kleine Biesen" viel onder het gezag van de landcommanderij (balije) van Alden Biesen bij Bilzen in België. Naast deze militaire taak had de Biesenhof met haar landerijen van oorsprong ook een agrarische functie. In 1300 omvatte zij 150 bunders aan akkers en weidegronden. (1 bunder = 1 hectare)
In 1360 werd de grotere "Nieuwe Biesen" in Maastricht gesticht. Dit goed was op het einde van de vijftiende eeuw zo belangrijk geworden dat er in 1468 de nieuwe hoofdzetel van de landcommanderij werd gevestigd en de functie van de "Kleine Biesen" overnam.

De Biesenhof als pachthoeve.

Toen de commanderij Kleine Biesen werd opgeheven werd de Biesenhof met het omliggende landschap in gebruik genomen als pachthoeve. Een groot aantal van deze landerijen en weilanden waren eigendom van de Duitse orde. Onder toezicht van de Duitse Orde werd de hoeve door verschillende pachters bewoond. Ter vergoeding moesten zij jaarlijks een deel van hun goederen afstaan. Oorspronkelijk was dit ongeveer de helft van de oogst, waardoor zij ook wel "halfers" of " halfwinners" werden genoemd. In de vijftiende eeuw was dit aanzienlijk minder. Men moet bij deze vorm van winning en afdracht denken aan een gedeelte van het geoogste goed zoals rogge en haver, een gedeelte van het vee zoals lammeren en varkens, een deel van de vruchtopbrengst en de kruiden, en dergelijke.  In 1624 brandde de hoeve af en werd herbouwd in de huidige vorm. Van de oorspronkelijke gebouwen resteert niets meer. Van 1624 tot ongeveer 1650 vindt de herbouw plaats van het woonhuis, inclusief een smalle aanbouw aan de zuidzijde. Rond 1700 wordt deze smalle uitbouw uitgebreid tot een woonhuis en omstreeks 1772 worden de stallen en de grote oogstschuur gebouwd.
In 1795 werd de Biesenhof, inclusief landerijen, door de Franse bezetters als "geestelijk" goed geconfisqueerd en aan particulieren verkocht. De hoeve was tot 1804 in bezit van Werner Joseph Wulff van Hoensbroek, die het in dat jaar doorverkocht aan de familie Schoenmakers. Jan Balthasar Schoenmakers splitste het woonhuis rond 1815 in een eigenaarswoning en een pachterswoning. 

Beide woningen worden in de voorgevel voorzien van rechthoekige openingen. 
Zoon Martin Joseph kwam rond 1860 op de hoeve wonen en nam de bedrijfsvoering in eigen hand. Hij werd hierbij geassisteerd door een rentmeester. In de voorgevel worden twee rondboogvensters geplaatst.
Ter hoogte van de topgevel van de schuur lag een brug over de beek die noodzakelijk was om het vee aan de overkant te laten weiden.

Vanuit Geleen was Sweikhuizen bereikbaar door middel van voetpaden langs de noord- en de oostzijde van de schuur, waarbij men dan gebruik maakte van deze privébrug.
In 1864 werd door de gemeenten Geleen en Schinnen de verharde weg langs de noordzijde van de schuur aangelegd, met een nieuwe brug over de Geleenbeek. Aan weerszijden van deze brug lag door de beek een weg, waarvan karren gebruik konden maken.
Dit zou dus inhouden dat het in Sweikhuizen vertelde verhaal dat zij het recht hadden om via het erf van de Biesenhof naar Geleen te gaan, waarschijnlijk niet op waarheid berust (zie hiervoor, Schrijnemakers, geschiedenis Geleen, deel 3)
Het decoratieve stucwerk van de "chique kamer" wordt tussen 1880 en 1890 aangebracht.
Omstreeks 1880 was de Biesenhof weer een pachthoeve, die negen jaar later werd gekocht door notaris Russel.
Rond 1925 worden pachterswoning en de eigenaarswoning geoptimaliseerd.
In 2004 vertrekt de familie Peters als laatste pachter en eigenaar van de Biesenhof.

Het gebouw.

De vier bouwvleugels van de Biesenhof zijn haaks op elkaar geplaatst zodat een gesloten binnenplaats wordt gevormd. De vierbouwdelen omvatten
het woonhuis met bakhuis aan de oostzijde, de graan- of de oogstschuur aan de noordzijde, de stallen voor paarden en varkens aan de zuidzijde en
de stallen voor de koeien en kippen met de grote toegangspoort aan de westzijde.
Eind 2004 werd gestart met de grootschalige restauratie en voltooid in 2007.
Thans heeft de Biesenhof diverse bestemmingen die in het teken van gastvrijheid staan.

Bronvermelding:
Geschiedenis van Geleen. Arthur Schrijnemakers, 1998. <deel 1, 83 - 84 >
Geschiedenis van Geleen. Arthur Schrijnemakers, 2011. <deel 3, 280-309 >
www.biesenhof.nl
Foto’s:
L.Spee, Biesenhof
T.Nolles, fotokring Geleen